De lucht is zwart. Ik fiets alleen op de weg. Er zijn alleen velden hier. Geen huizen, geen mensen. En dan begint het.
De regen valt hard. Heel hard. In een paar seconden ben ik nat. Mijn kleren plakken aan mijn lichaam. Mijn haar plakt aan mijn gezicht. De wind blaast en het is koud.
Ik stop. Ik kijk om me heen. Waar ga ik heen? Ik zie niets. Alleen regen en grijs.
Mijn naam is Femke. Ik ben achtentwintig. Ik werk in een winkel in de stad. Vandaag is mijn vrije dag. Ik wil fietsen, alleen, ver weg. Dat doe ik graag. Ik woon in een klein huis in het dorp. Soms is het stil daar. Soms te stil. Dus ga ik vaak naar buiten. Maar nu wil ik dat niet meer. Nu wil ik alleen droog zijn.
De regen valt in mijn ogen. Ik kan bijna niets zien. Mijn schoenen zijn vol water. Het is koud, heel koud. Ik trap nog harder op de fiets. Maar waar ga ik heen? Er is geen huis dichtbij. Of toch?
Dan hoor ik een stem.
"Hé! Kom hier!"
Ik kijk. Daar staat een man. Hij staat bij een boerderij. Het is een oud huis van rode steen. De man zwaait met zijn arm.
"Kom! Het is hier droog!"
Ik twijfel. Ik ken die man niet. Maar de regen valt zo hard. En het huis is dichtbij. Mijn benen zijn moe en koud. De donder is luid. Ik denk even na. Dan beslis ik. Ik fiets snel naar hem toe.
Ik stap af. De man pakt mijn fiets. Hij zet hem onder een dak.
"Kom binnen," zegt hij. "Snel."
We rennen naar de deur. Buiten valt de regen op mijn rug. Bram doet de deur open. We gaan naar binnen. Binnen is het warm en droog. Ik ben blij. De regen tikt op het raam. Het is een fijn geluid nu. Een veilig geluid.
"Dank je," zeg ik. "Echt. Dank je."
"Geen probleem," zegt de man. Hij lacht. "Je bent helemaal nat."
"Ja," zeg ik. Ik lach ook. "Heel nat. En heel koud."
"Kom maar binnen," zegt hij. "Hier is het warm."
Ik kijk naar hem. Hij is groot. Hij heeft donker haar en bruine ogen. Hij draagt een blauw shirt. Het is ook een beetje nat. Hij is mooi, denk ik. Maar dat zeg ik niet.
"Ik ben Bram," zegt hij. "Dit is mijn boerderij. Ik woon hier alleen."
"Ik ben Femke," zeg ik.
"Hoi Femke." Hij geeft me een hand. Zijn hand is warm. "Welkom in mijn huis."
Ik kijk om me heen. Het is een grote kamer. Er is een bank en een tafel. Er is een open haard, maar er is geen vuur. Op de muur hangen oude foto's. Op de tafel ligt een boek. Het ruikt naar koffie en naar hout. Het is een warm huis. Een goed huis.
"Je hebt het koud," zegt Bram. "Wacht."
Hij loopt weg. Ik sta bij de deur. Ik druip op de vloer. Ik schaam me een beetje.
Bram komt terug. Hij heeft twee handdoeken. Hij geeft me er een.
"Hier," zegt hij. "Droog je af."
Ik pak de handdoek. Ik droog mijn gezicht en mijn haar. De handdoek is zacht en warm. Het ruikt schoon. Bram droogt ook zijn haar. Zijn haar staat nu alle kanten op. Ik moet lachen. Hij kijkt naar mij. Ik kijk naar hem. We lachen allebei.
"Wat is er?" vraagt hij.
"Je haar," zeg ik. "Het is grappig."
Bram lacht. "En jouw haar dan?"
Ik voel aan mijn haar. Het is nat en plat. "Oké," zeg ik. "Wij zijn allebei grappig."
"Je kleren zijn nat," zegt hij. "Dat is niet goed."
"Ja," zeg ik. "Maar het is oké."
"Nee," zegt hij. "Wacht. Ik heb wel iets."
Hij loopt weer weg. Ik kijk uit het raam. De regen valt nog harder. De lucht is heel donker. Ik kan niet weg. Niet nu. En eerlijk? Ik wil ook niet weg.
Bram komt terug met een grote trui. Hij geeft hem aan mij.
"Trek dit aan," zegt hij. "Je natte shirt kan op de stoel."
Ik kijk naar de trui. Dan kijk naar hem. Mijn hart gaat snel.
"Oké," zeg ik zacht.
Bram draait zich om. Hij is lief. Ik trek mijn natte shirt uit. Mijn huid is koud. Ik trek de trui aan. De trui is groot en warm. De trui ruikt naar hem. Het is een goed gevoel.
"Klaar," zeg ik.
Bram draait zich weer om. Hij kijkt naar mij in zijn trui. Hij zegt even niets. Zijn ogen zijn donker.
"Je ziet er mooi uit," zegt hij dan.
Ik word warm. Niet van de trui. Van zijn woorden.
"Dank je," zeg ik.
We gaan op de bank zitten. Niet te dichtbij. Maar ook niet ver. Bram maakt koffie. Ik kijk naar zijn handen. Ze zijn groot en sterk. We drinken samen. De koffie is warm en sterk. Buiten dondert het. Het licht in de kamer flikkert. Even is het donker. Dan weer licht.
"Spannend," zeg ik. "Een storm."
"Ja," zegt Bram. Hij kijkt naar mij. "Heel spannend."
Maar ik denk dat hij niet over de storm praat.
We praten. Over mijn werk in de winkel. Over zijn boerderij. Hij heeft koeien en een grote tuin. Hij werkt veel. Hij woont hier al drie jaar. Hij is tweeëndertig. We lachen veel. Het is makkelijk om met hem te praten. Te makkelijk, misschien.
"En woon je hier graag?" vraag ik.
"Ja," zegt hij. "Maar soms is het stil. Heel stil." Hij kijkt naar mij. "Vandaag is het niet stil."
Ik lach. "Nee," zeg ik. "Vandaag niet."
Ik drink mijn koffie. Mijn hand trilt een beetje. Niet van de kou. Bram ziet het. Hij zegt niets. Maar hij lacht zacht. Ik word warm van die lach.
Buiten valt de regen nog harder. De wind blaast tegen het raam. Maar binnen is het warm. En Bram zit dichtbij. Te dichtbij voor mijn rust.
Bram zit dichterbij nu. Ik voel zijn arm bij mijn arm. Mijn hele lichaam voelt het. Ik kijk naar zijn mond. Hij heeft een mooie mond.
"Femke," zegt hij zacht.
"Ja?"
"Mag ik dichtbij komen?"
Ik kijk hem aan. De storm is buiten. Maar de storm is ook hier, in mij.
"Ja," zeg ik. "Kom dichtbij."
Hij komt dichtbij. Heel langzaam. Mijn adem stopt bijna. Hij legt zijn hand op mijn wang. Zijn hand is warm en groot. Hij kijkt naar mijn mond. Dan kust hij me. Heel zacht. Zijn lippen zijn warm.
Ik kus hem terug. De kus wordt langer. Mijn hand gaat naar zijn nek. Zijn hand gaat in mijn haar. We kussen en kussen. Ik wil niet stoppen.
Bram stopt even. Hij kijkt me aan.
"Wil je dit?" vraagt hij. "Echt?"
"Ja," zeg ik. "Ik wil dit. Heel erg."
"Mooi," fluistert hij. "Ik ook."
Hij kust me weer. Nu harder. Zijn hand gaat onder de trui. Hij raakt mijn huid aan. Zijn hand is warm op mijn buik. Ik adem snel. Mijn huid wil meer.
"Je huid is zo zacht," zegt hij zacht.
Ik trek zijn shirt uit. Zijn borst is warm en sterk. Ik leg mijn hand op zijn borst. Ik voel zijn hart. Het gaat snel, net als bij mij.
Bram trekt de trui over mijn hoofd. Nu ben ik bijna naakt. Hij kijkt naar mij. Zijn ogen zijn vol vuur.
"Wat ben je mooi," zegt hij.
Hij kust mijn nek. Dan mijn schouder. Dan lager. Zijn mond is warm op mijn huid. Hij gaat langzaam. Heel langzaam. Ik kreun zacht. Mijn handen gaan in zijn haar. Ik wil meer. Ik wil alles.
"Niet stoppen," fluister ik.
"Nee," zegt hij. "Ik stop niet."
We gaan van de bank op de grond. Daar ligt een zacht kleed. Bram ligt op mij. Ik voel zijn lichaam. Het is zwaar en warm. De regen tikt hard op het raam. De storm wordt sterker. En wij ook.
Hij kust mijn borst. Zijn mond is langzaam. Hij neemt de tijd. Zijn baard kriebelt op mijn huid. Het voelt zo goed. Ik kreun weer. Mijn lichaam beweegt vanzelf. Ik wil hem dichtbij. Heel dichtbij.
Bram kijkt naar mij. "Je bent zo mooi, Femke," zegt hij zacht. "Echt."
Ik raak zijn gezicht aan. "Praat niet," fluister ik. "Kus me."
Hij lacht en kust me weer.
"Je maakt me gek," zeg ik.
Bram lacht zacht. "Dat is goed," zegt hij.
Zijn hand gaat tussen mijn benen. Hij raakt me aan, langzaam. Ik ben al nat daar. Niet van de regen. Van hem. Ik kreun hard. Mijn rug komt omhoog.
"Ja," fluister ik. "Daar. Ja."
Zijn vingers bewegen langzaam. Dan sneller. Ik adem hard. Mijn hele lichaam trilt. Het voelt zo goed. Ik pak zijn arm vast.
"Bram," zeg ik. "Ik wil jou. Nu."
"Wacht even," zegt hij.
Hij staat op. Hij pakt iets uit een la. Een condoom. Hij is veilig. Dat vind ik fijn. Hij trekt zijn broek uit. Hij is hard. Ik kijk naar hem en ik wil hem zo erg.
"Kom hier," zeg ik.
Bram komt weer op mij. Hij kijkt me aan. Zijn ogen zijn lief en vol vuur.
"Klaar?" vraagt hij.
"Ja," zeg ik. "Ik ben klaar."
Hij gaat langzaam in mij. Heel langzaam. Ik adem in. Het voelt warm en vol. Hij stopt even.
"Gaat het?" vraagt hij zacht.
"Ja," fluister ik. "Het is goed. Ga door."
Hij beweegt langzaam in mij. In en uit. Langzaam. Ik voel hem helemaal. Mijn benen gaan om zijn lichaam. Ik trek hem dichterbij. Ik wil hem dieper. Hij kust mijn nek. Hij fluistert mijn naam.
"Femke," zegt hij. "Je voelt zo goed."
Ik kan niet praten. Ik kan alleen voelen. Zijn lichaam, zijn huid, zijn adem op mijn nek.
"Harder," fluister ik. "Bram. Harder."
Hij beweegt harder. Onze lichamen zijn warm en nat van het zweet. De grond is zacht. De storm dondert buiten. Maar ik hoor alleen ons. Ons ademen. Onze stemmen.
"Femke," kreunt hij. "Wat voel je goed."
Ik kus hem. Hij beweegt en beweegt. Ik voel iets groots komen. Diep in mij. Het wordt sterker. Mijn hele lichaam spant zich.
"Ja," zeg ik. "O ja. Niet stoppen. Niet stoppen."
"Ik ben dichtbij," zegt hij.
We bewegen samen. Sneller en sneller. En dan komt het. Een grote golf. Mijn lichaam trilt en trilt. Ik kreun hard. Op hetzelfde moment kreunt Bram ook. Hij stopt diep in mij. Zijn lichaam trilt op mij.
We liggen stil. We ademen hard. Zijn hoofd ligt op mijn borst. Mijn hand ligt in zijn haar. De regen tikt nog op het raam. Maar zachter nu. De storm is bijna weg.
"Wauw," zeg ik. Ik lach.
Bram kijkt naar mij. Hij lacht ook. "Ja," zegt hij. "Wauw."
"Dat was..." Ik zoek het woord. "Dat was mooi."
"Ja," zegt Bram zacht. "Heel mooi."
We liggen lang zo. Warm en samen. Zijn hand gaat langzaam over mijn rug. Op en neer. Het is een fijn gevoel. Ik wil hier blijven. Buiten wordt het licht. De storm gaat weg. Maar ik wil niet weg.
"De regen stopt," zeg ik zacht.
"Ja," zegt Bram. Hij kust mijn schouder. "Jammer."
Ik lach. "Misschien," zeg ik. "Of misschien niet."
Hij kijkt me aan. "Wat bedoel je?"
Ik kom omhoog. Ik kus hem op zijn mond. Langzaam.
"Ik woon niet ver," zeg ik. "En ik fiets graag. Ook in de zon."
Bram lacht breed. "Dan kom je terug?"
"Ja," zeg ik. "Ik kom terug. Met of zonder regen."
Bram pakt mijn hand. "Beloof je dat?" vraagt hij.
"Ik beloof het," zeg ik. En ik meen het ook.
"Goed," zegt hij. Hij trekt me dichtbij. "Dan wacht ik op je."
Buiten is de lucht weer blauw. De zon komt door het raam. Het licht valt op de grond. Op zijn huid. Op mijn huid. Maar ik blijf nog even. Hier, op de zachte grond, in zijn armen. De fiets kan wachten. De weg kan wachten. Alles kan wachten.
Ik kijk naar Bram. Hij kijkt naar mij. En ik weet het al: ik kom heel snel terug.